Wordt Vervolgd – Doodseskaders terug in El Salvador

In de greep van de angst

door Joop Heij
Zo’n twintig kilometer buiten San Salvador ligt La Puerta del Diablo, de Duivelspoort. Deze pas, die vlak boven een pretpark en het Ilopangomeer op de Chulobergketen ligt, wordt in toeristenfolders in alle toonaarden bezongen als een idyllisch plekje met schitterende, door reusachtige rotszuilen ingekaderde vergezichten op de San Vicente-vulkaan. Aan de andere kant van de hoofdstad ligt het lavaveld El Playón, dat min of meer als vuilnisbelt dienst doet. Beide plekken zijn bekende pleisterplaatsen voor de gieren, want ze zijn tevens in gebruik als dumpplaats voor lijken, slachtoffers van de beruchte doodseskaders. Maar lijken kunnen overal in El Salvador opduiken.

Men schat dat in de nu ruim acht jaar oude burgeroorlog in El Salvador zo’n 65.000 mensen zijn omgekomen, waarvan enige tienduizenden als gevolg van de activiteiten van doodseskaders. Vooral in het begin van de jaren tachtig waren deze dagelijks actief. Maar in 1984 trad er een duidelijke verbetering op in de situatie, toen de christen-democraat Duarte de presidentsverkiezingen won met de belofte dat hij een eind aan de oorlog en aan de schending van mensenrechten zou maken. Ondanks de steun van de Verenigde Staten, die de mensenrechten als toetssteen voor voortzetting van hun militaire hulp van anderhalf miljoen dollar per dag hanteerden, was de positie van Duarte niet sterk genoeg om het gewapende conflict tussen links en rechts vreedzaam te beëindigen. Hij voerde vergeefs onderhandelingen met de linkse verzetsbeweging FMLN, die intern verdeeld bleek en bovendien voor het leger onaanvaardbare voorwaarden stelde. Ook slaagde Duarte er niet in het leger voor zijn politiek te winnen. De militairen vormden voor het grootste deel één blok met de uiterst rechtse ARENA-partij, de grote politieke tegenstander van Duarte’s PCD. Het leger stond en staat zeer wantrouwend tegenover onderhandelingen met de rebellen en bleef, net als de FMLN overigens, geloven in een definitieve militaire overwinning op de tegenstander. In deze periode was er wel een afname van openlijke gevechten te bespeuren.

El-Playon

Dumped by Death Squads in El Playón

Je zou kunnen zeggen dat Duarte’s optreden hooguit een tijdelijke verbetering in El Salvador teweeg heeft gebracht. Paradoxaal is dat juist sinds de ondertekening van in oktober 1987 van het Esquipulas II-akkoord (waarbij de presidenten van Guatemala, Honduras, Nicaragua, El Salvador en Costa Rica beloofden de vrede in Midden-Amerika te zullen herstellen) het geweld in El Salvador weer is toegenomen.

Dit akkoord voorzag onder meer in een amnestie voor politieke gevangenen, wat in november 1987 in El Salvador leidde tot de vrijlating van 400 gedetineerden. Daaronder waren echter ook de weinigen die voor schending van de mensenrechten waren veroordeeld. Deze amnestie had twee belangrijke gevolgen. Enerzijds versterkte zij in het leger het gevoel dat men het met de mensenrechten inderdaad niet zo nauw hoefde te nemen. Anderzijds waren de militairen woedend over de vrijlating van in hun ogen communistische misdadigers. Als het dan geen zin meer had rebellen te arresteren omdat die toch maar weer werden vrijgelaten, zo lijkt hun redenering, dan was het dus maar beter ze meteen helemaal uit de weg te ruimen.

Sindsdien is er een sterke opleving van de activiteiten van de doodseskaders waargenomen en tevens is in 1988 weer een verheviging van openlijke oorlogshandelingen gemeld. Voor het eerst sinds 1984 is melding gemaakt van een massamoord door het leger. Op 22 september 1988 werden in het dorp San Francisco tien burgers geëxecuteerd. Ook het FMLN ondernam afgelopen najaar grote acties, waaronder aanvallen op gevangenissen om gevangenen te bevrijden.

Wie vormen nu precies die doodseskaders? Amnesty en andere mensenrechtenorganisaties beschikken over enorme hoeveelheden bewijsmateriaal dat de doodseskaders bestaan uit en geleid worden door militairen en politiemensen zelf, die anoniem en in burgerkleding optreden. Het betreft hier zowel verklaringen van ooggetuigen als van gevluchte ex-doodseskaderleden en slachtoffers die de ontvoering hebben overleefd. De tactiek van de doodseskaders is gebaseerd op het uitoefenen van  terreur en het aanjagen van angst, niet alleen onder de bevolking maar ook in eigen gelederen. Wie niet wil meewerken aan dergelijke acties wordt eveneens met de dood, van hemzelf of van zijn familie, bedreigd.

De doodseskaders opereren onder namen als Geheim Anti-Comministisch Leger en Brigade Maximiliano Hernández Martinez (genoemd naar de ‘gekke generaal’, de dictator die in 1932 tienduizenden indianen liet uitmoorden en die een pokkenepidemie in de hoofdstad poogde te bestrijden door overal gekleurde lichtjes te plaatsen). Zij laten dodenlijsten circuleren, in advertenties in dagbladen, sturen hun slachtoffers bedreigingen of uitnodigingen voor hun eigen begrafenis, en maken bij hun acties voornamelijk gebruik van geblindeerde Cherokee Chiefs of Toyota pick-uptrucks zonder nummerbord. Bescherming van politie of leger hiertegen klan men begrijpelijkerwijs niet vragen, omdat die er zelf bij betrokken zijn. Veel genoemd in dit verband worden de Nationale Politie, de Federale Recherche, de Eerste en Vierde Infanterie Brigade en het Atalacatl Bataljon, een elite-eenheid voor de guerrillabestrijding.

Heeft een doodseskader eenmaal iemand ontvoerd, dan verdwijnt het slachtoffer meestal gewoon. Heel vaak echter wordt de ontvoerde simpelweg vermoord en het lijk ergens langs de weg gedumpt, om als afschrikwekkend voorbeeld te dienen.romeroDe lichamen vertonen meestal sporen van ernstige mishandeling.De doodseskader tonen een macaber gevoel voor traditie. Zij baseren de behandeling van hun slachtoffers op de legende van de Pipilin-indianen, die in het grijze verleden hun vijanden zeer wreed behandeld zouden hebben: vandaar de op de rug gebonden duimen, afgesneden kelen en uitgestoken ogen.

Slachtoffer van doodseskaders kan iedereen worden, maar meestal betreft het vakbonds- en coöperatieleden, studenten en academici, journalisten, mensenrechtenactivisten, pastoraal werkers en medische en sociale hulpverleners. Internationale aandacht trokken de aanslagen op aartsbisschop Romero en de mensenrechtencoördinator Herbert Anaya Sanabria, terwijl ook de moorden op de vier Nederlandse IKON-journalisten en op Amerikaanse priesters en landbouwadviseurs veel opzien baarden.

De vraag dringt zich op of er in de nabije toekomst nog een kentering in deze situatie te verwachten valt. Die kans lijkt erg klein. De christen-democratische regering boekt weinig succes en president Duarte heeft niet alleen veel prestige verloren, hij is ook nog ongeneeslijk ziek. Hierdoor is zijn partij ernstig verdeeld geraakt en dit heeft in maart 1988 reeds geleid tot een wederopstanding van de ARENA-partij, die toen bij de parlementsverkiezingen vijftig procent van de zetels wist te behalen.

ARENA heeft het slim gespeeld. Zij heeft haar leider, ex-majoor D’Aubuisson, die door iedereen vrijwel rechtstreeks in verband wordt gebracht met de doodseskaders en met de moord op Romero, officieel naar de achtergrond laten verdwijnen en meer respectabele conservatieven naar voren geschoven. ARENA gaat de presidentsverkiezingen van 1989 in met een nieuwe kandidaat, Alfredo Cristiani. Ook heeft de partij inmiddels , in de persoon van Calderon Sol, het burgemeesterschap van San Salvador binnengehaald. ARENA maakt bij de komende verkiezingen een goede kans te winnen. Enig lichtpuntje hierbij is misschien dat voor het eerst ook links aan de verkiezingen meedoet: in het samenwerkingsverband Democratische Convergentie, met als presidentskandidaat FDR-leider Guillermo Ungo. Maar veel kans maken zij door hun banden met de FMLN niet.Binnenkort wordt nog een uiterste poging ondernomen om het vastgelopen vredesplan Esquipulas II nieuw leven in te blazen. Daartoe zullen de staatshoofden van de vijf Midden-Amerikaanse republieken op 15 en 16 januari weer bijeenkomen in San Salvador.

Verkrijgbaar bij Amnesty International: “El Salvador. Death Squads – A Government Strategy” – oktober 1988

 

CASE: Opgepakt en weer vrijgelaten

Soldaten van de 6e Infanteriebrigade, gelegerd in Usulután, arresteerden op 22 oktober van dit jaar Raquel Portillo. Op 30 oktober werd zij weer vrijgelaten. Zij vertelde dat zij werd overgedrragen aan aan mannen in burger die reden in een auto met gepolariseerd glas. Ze werd geblinddoekt en naar het hoofdkwartier van de 6e Infanteriebrigade gebracht, waar ze drie dagen werd vastgehouden. Op de derde dag haalden de militairen haar uit de cel, haar duimen vastgebonden achter haar rug, en sproeiden iets over haar rug waardoor die gevoelloos werd. In de periode dat zij daar werd vastgehouden kwam een plaatselijke vertegenwoordiger van de Mensenrechtencommissie, een regeringsinstantie, naar haar informeren, maar haar ontvoerders ontkenden dat zij daar gevangen zat. Zij moest haar vingerafdruk op verscheidene papieren zetten waarvan ze niet wist wat er in stond, en werd bedreigd dat ze haar familie niet meer zou zien als ze niet zou praten.. Men beschuldigde hjaar van collaboratie met het gewapend verzet.. Op de ochtend van 26 oktober werd zij naar een gevangenis gebracht en vier dagen later vrijgelaten.

(Wordt Vervolgd, jaargang 22, nummer 1, januari 1989)

backterug naar inhoudsopgave