Wordt Vervolgd – Politie Brazilië speelt eigen rechter

Doodseskaders ruimen straatkinderen uit de weg

door Joop Heij

“Ik ben 10 jaar. Ik slaap altijd in een winkelcentrum. Iedere dag, rond middernacht, komt de militaire politie en pikt ons op. Ze dwingen ons kakkerlakken en stront te eten, ze gooien heet water over ons heen en slaan ons met gummiknuppels op het hoofd.”
De negenjarige Patricio Hilario da Silva werd op 22 mei 1989 dood aangetroffen in Ipanema, een voorstad van Rio de Janeiro. Om zijn nek was een briefje geboden: “Ik doodde jou omdat je niet naar school ging en geen toekomst had …. De regering mag niet toestaan dat de straten van de stad overspoeld worden met kinderen.”
Dit zijn twee voorbeelden van de alarmerende situatie waarin de 7 miljoen (volgens UNICEF 11,5 miljoen) straatkinderen in Brazilië verkeren. In bijna alle staden maken politie en doodseskaders, die veelal bestaan uit agenten buiten diensttijd, intensief jacht op hen.
Foto oficial do presidente Fernando Collor de Melo.
Foto oficial do presidente Fernando Collor de Melo.

Na 21 jaar militaire dictatuur keerde Brazilië in 1985 terug naar de democratie. In 1988 werden in een nieuwe grondwet garanties voor de fundamentele mensenrechten opgenomen. Sindsdien heeft Brazilië alle belangrijke mensenrechtenverdragen ondertekend. En vele autoriteiten verklaarden dat deze rechten ook nageleefd moesten worden. Zo stelde de vorig jaar december gekozen en in maart 1990 aan de macht gekomen president Collor de Mello  in zijn

wekelijkse televisietoespraak tot het volk op 22 juni 1990: “Wij kunnen en willen niet meer als gewelddadig land in rapporten van Amnesty International worden aangehaald. Onze maatschappij zal geen geweld tolereren en we zullen hoe dan ook niet toestaan dat het nieuwe Brazilië minachting voor de mensenrechten accepteert of ermee leert leven.

Dat dit gevecht hard nodig is blijkt uit het in juni verschenen Amnesty-rapport ‘Torture and extrajudicial execution in urban Brazil’. Daarin worden de gewelddadige praktijken van de Braziliaanse politie in de periode van 1985 tot 1990 aan de kaak gesteld. Voorts behandelt het rapport de schrikbarende omstandigheden in de Braziliaanse gevangenissen. Daarin verblijven veel meer gevangenen dan de capaciteit toelaat en het bewakingspersoneel kan er ongestraft willekeur uitoefenen. Maar het rapport besteedt de meeste aandacht aan het brute optreden van politie en doodseskaders tegen kinderen en jongeren. Naast de schier eindeloze opsomming van voorvallen en getuigenverklaringen, de een nog gruwelijker dan de ander, gaat het rapport ook dieper in op de oorzaken  van al dit geweld. Ten slotte doet het aanbevelingen voor maatregelen die de situatie zouden kunnen verbeteren.

De manier waarop de Braziliaanse politie is georganiseerd is nog een erfenis van de dictatuur. De politiemacht is verdeeld in een burgerpolitie en een militaire politie. De taak van de burgerpolitie beperkt zich tot het verrichten van onderzoek. De militaire politie is verantwoordelijk voor het handhaven van de openbare orde. Haar taak varieert van de bewaking van demonstraties tot het verrichten van arrestaties.

Uit onderzoek is gebleken – en dat is gezien haar achtergrond natuurlijk niet verwonderlijk – dat de militaire politie haar werk bekijkt vanuit een militair gezichtspunt en haar operaties schoeit op militaire leest. Dit houdt ook in dat ze wetsovertreders en criminele elementen nooit bekijkt tegen de sociale achtergronden (als extreme armoede), maar hen uitsluitend ziet als de vijand. Een vijand die uitgeschakeld moet worden. Enkele cijfers uit dit onderzoek geven een onthullende kijk op de houding van de militaire politie tegenover de misdaad. Weliswaar meenden velen dat het bestrijden van werkloosheid en verbetering van de hulpverlening aan straatkinderen eigenlijk de beste manier zouden zijn om criminaliteit te bestrijden. Maar nu dit toch niet het geval was, waren de meesten ervoor méér politieagenten en surveillancewagens op straat te brengen  Bovendien wilden zij vooral een ‘grotere vrijheid van handelen’voor de agenten. Meer dan 95% wilde ook wapens dragen buiten diensttijd en 30% bekende een bijbaantje te hebben, de meesten bij een bewakingsdienst.Meer dan 60% was ervan overtuigd dat de meeste misdadigers afkomstig waren uit de lagere sociale klassen en uit de krottenwijken. Tweederde vond dat criminelen niet dezelfde mensenrechten mochten hebben als oppassende burgers.

 Brazilkillercops

Opvallend is ook dat de verdedigers van de mensenrechten in Brazilië vaak in het defensief worden gedrongen. In de publieke opinie worden zij vaak gezien als de verdedigers van de ‘rechten van bandieten’. Diezelfde publieke opinie heeft bij de inderdaad zeer grote criminaliteit in Brazilië ook een funeste invloed op de politie.

Men constateert minachtend dat de politie niet in staat is ook maar iets aan die criminaliteit te doen. Daarnaast voelt de politie zich nog eens extra gefrustreerd door de boven haar gestelde autoriteiten, die haar niet voldoende middelen en vrijheid geven om het probleem efficiënt op te lossen. En juist in een dergelijk klimaat komen agenten er gemakkelijker toe om het recht in eigen hand te nemen. Inmiddels is van veel leden van doodseskaders vastgesteld dat zij tot de politie behoren. Zij opereren in hun vrije tijd, soms betaald door het bedrijfsleven, om de straten op een effectieve manier te zuiveren: door executie dus. Zij voelen zich vaak een soort wraakengelen die het morele recht aan hun kant hebben.

Dat zij bij hun acties vaak de straatkinderen opruimen is vanuit hun standpunt gezien begrijpelijk. Zij bezorgen Brazilië zo een betere, minder criminele toekomst, omdat deze straatkinderen in hun opinie toch alleen maar een opleiding tot beroepsmisdadiger krijgen. De doodseskaders in São Paulo opereren niet voor niets onder de naam justicieros (= rechtbrengers). Er zijn voor dit onaanvaardbare optreden van politie en doodseskaders nog wel meer oorzaken aan te wijzen. Een daarvan is de vaak moeizame samenwerking en soms zelfs regelrechte competitiestrijd tussen de diverse diensten van de afzonderlijke staten en de federale regering. Daardoor komt ook het onderzoek naar misdaden van de politie soms nauwelijks van de grond. En dit acht Amnesty wel de voornaamste oorzaak van het gewelddadige gedrag van de politie: een individuele politieman loopt weinig kans gestraft te worden voor zijn misdaden.

Zolang de autoriteiten niet ondubbelzinnig laten weten dat dergelijke misdaden tot op de bodem zullen worden uitgezocht en zwaar bestraft, is er geen wezenlijke verbetering te verwachten. Dit vergt veel meer dan het af en toe eens in een toespraak opnemen van een welgemeende frase over de respectering van de mensenrechten.

Behalve voornoemde elementaire zaken, doet Amnesty nog enkele andere aanbevelingen die de situatie in Brazilië kunnen verbeteren. Dit zijn strengere selectiecriteria voor kandidaat-agenten, verbetering van training en opleiding, vergroting van de kennis van de wet, en versterking van de discipline.

Gelukkig heeft ook in Brazilië de aandacht voor de mensenrechten het tij mee. Momenteel zijn er naar schatting reeds driehonderd plaatselijke mensenrechtencomité’s actief. De leden daarvan en onderzoekers van justitie zijn steeds minder geneigd zich bij de uitoefening van hun taak te laten intimideren door bedreigingen.

Naar verwachting zal het gruwelijke lot van de kinderen in Latijns-Amerika (in Guatemala gebeurt vrijwel hetzelfde) uitvoerig aan de orde zijn gesteld op het internationale congres over kindermishandeling in Hamburg (begin september) en op de wereldtopconferentie van de Verenigde Naties op 29 en 30 september in New York.

(Wordt Vervolgd, jaargang 23, nr. 10, oktober 1990)

Het Amnesty-rapport over de straat kinderen lijkt in Brazilië het een en ander op gang te hebben gebracht. President Collor de Mello gelastte een onderzoek naar de beschuldigingen die erin worden geuit. Volgens politieke waarnemers is het voor het eerst dat een dergelijk onderzoek wordt ingesteld naar aanleiding van beschuldigingen door Amnesty. Het NOS-Jeugdjournaal berichtte op 19 september j.l. dat hoteleigenaren en zakenmensen in Rio de Janeiro een congres hebben belegd om zich te buigen over mogelijkheden iets te doen voor de kinderen. Daarbij denkt men aan scholing in vaardigheden die binnen het hotelbedrijf nuttig zijn, bijvoorbeeld tot elektricien, loodgieter, timmerman of schilder. Volgens de kinderen zijn het echter de hoteleigenaren die het geweld tegen hen aanmoedigen. Angst dat de kinderen toeristen afschrikken zou de belangrijkste drijfveer zijn. Het Jeugdjournaal berichtte verder dat er in Rio een kindertelefoon is gekomen. Daar kunnen kinderen gratis naartoe bellen als ze het slachtoffer van mishandelingen zijn geworden. In de eerste week kwamen er al vijftig klachten binnen, met name tegen politie-optreden.

backterug naar inhoudsopgave