Eiland – Epiloog – De doem van het moederschap

Door Joop Heij

Epiloog – De doem van het moederschap

De vrouw kwam thuis en wierp zich snikkend op de driezitsbank. Maar weldra droogde een brandende dorst haar tranen. Ze stond op en doorzocht het huis maar het enige drinkbare dat ze kon vinden, was een aangebroken fles jenever, waaruit ze zich een limonadeglas volschonk.

Ze was alleen.

Met het glas in de hand liet ze zich weer in de kussens terugzakken, nam enkele gulzige teugen en begon weer te huilen doordat ze het sterke goedje in haar neus voelde prikkelen. Wanhopige tranen die haar blik nog verder vertroebelden.

Waarom had die klootzak dat gedaan? Vuile schoften en smerige beesten waren het, die kerels, allemaal! Hij had haar verdomme helemaal niet met bruut geweld hoeven verkrachten, ze had ook zo wel gewild. Maar dat was voor die viezeriken tegenwoordig niet spannend genoeg meer.

Ze schreide hete tranen van woede, machteloosheid en spijt.

Ze nam zich voor zich nooit meer met ze te bemoeien. Ze voelde dat ze toe was aan een ommekeer in haar leven. Het werd tijd dat ze die rotzakken en hun rotzooi voorgoed vaarwel zegde, en een ander, een beter leven ging leiden. Ze wilde op dat moment niets liever dan weer huiselijk worden, en rustig en ja ook onverschillig. Net als vroeger, dacht ze verbitterd. En misschien was het maar het beste weer terug te verhuizen, weg uit deze stad, terug naar het platteland.

Langzaam begonnen diep in haar binnenste schuldgevoelens tot ontwikkeling te komen. Wat had ze eigenlijk met haar leven gedaan de laatste tijd? Het schaamrood steeg haar naar de kaken. Hoe had ze zich dit laatste jaar zo kunnen vergooien…. En, erger nog misschien, hoe had ze het gezinsleven of wat er nog van resteerde, zo kunnen verwaarlozen….

Ze deed een greep onder de salontafel en haalde uit de lectuurbak een romannetje tevoorschijn. Daarmee poogde ze zich wel vaker te vermaken of af te leiden. Het hielp niets, integendeel, de lectuur zorgde ervoor dat haar afdwalende gedachten in een bepaalde richting werden gestuurd.

Wederom brak de vrouw in wenen uit in haar immense verlatenheid. Ze voelde ineens een hevige behoefte aan troostend gezelschap. Ze wilde nu iemands armen om zich heen (maar niet van die klootzakken). Of zelf iemand in haar armen kunnen sluiten en uithuilen, en zich begrepen voelen, en getroost en geborgen weten. Maar het huis was leeg en grijnsde haar aan. Precies zoals ze al zo vaak gelezen had.

*

Waar zou haar zoon nu uithangen? Hoe lang had ze die al niet gezien? En hoe schandelijk had ze hem verwaarloosd! Zelfs toen ze er onlangs toevallig een keer de kans voor had gehad, een week geleden ongeveer, had ze niet de moeite genomen om te kijken hoe het met hem was, terwijl ze best wist dat hij thuis was en zich op zijn kamer had opgesloten. Het ene zelfverwijt na het andere geselde haar gemoed.

Zou hij het haar ooit nog kunnen vergeven?

Was hij nu maar hier om bij haar te zijn, dan zou ze hem alles kunnen vertellen en plannen met hem kunnen maken voor een beter en gelukkiger leven. Maar zou hij wel naar haar willen luisteren?

Het gemis van haar zoon groeide en groeide, en ten slotte hield ze het niet langer uit. Ze moest hem zien, nu onmiddellijk! Ze moest hem zien te vinden, onherroepelijk. Of hij naar haar wilde luisteren of niet, deed er niet toe. Desnoods zou ze hem dwingen haar aan te horen.

Ze keek naar buiten. Het was een stikdonkere nacht, met stormachtige windvlagen en zware bewolking, vol onheilspellende dreiging, maar zonder regen.

Onwillekeurig schoot ze in de lach, toe haar in deze omstandigheden volstrekt toevallig de herinnering aan een pijnlijke ontmoeting te binnen schoot. Toen wist ze waar ze heen zou gaan. Wist ze waar ze hem zou kunnen vinden.

*

Vastberaden verliet ze het appartement op de zevende verdieping van het gebouw Klotenhoef. Ze liep de galerij af, stak op de hoek door naar de liftkoker aan de andere kant en zoemde naar beneden. Eenmaal beneden stak ze wederom door naar de andere kant, via een van de tochtige tunneltjes, en daarna liep ze het grasveld op, in de richting van de ringweg. Daar liep ze onderdoor via de fietsers- en voetgangerstunnel. Ze was nu aan de buitenkant van de wijk, aan de rand van het park. Langzaam liep ze het pad op dat naar het bruggetje voerde dat toegang gaf tot het eiland dat toegang gaf tot zijn eiland.

Haarlem, 29 juli 1983

Terug naar Zuid-Oost