Perspectief – deel 1. De Projekt-ontwikkelaar – 3. Carrière

 

Door Joop Heij

Hoofdstuk 3: Carrière

 

Toen Harmen Grootzien zonder werk kwam te zitten (ontslagen kon je zoiets niet noemen) was hij 43 jaar oud en op het toppunt van zijn macht. Hij was general manager van de European Affairs Division van een of ander Amerikaans bedrijf dat in een hele reeks nutteloze producten deed, die echter grif gekocht werden en daar ging het uiteindelijk om. Harmen werd door zijn Amerikaanse collega’s altijd Húrmen genoemd, maar dat was hem liever dan dat ze zijn naam correct gelezen hadden en er allerlei lullige grappen over hadden gemaakt door er nadelige associaties in hun eigen taal mee te verbinden. Harmen dus, had zijn hele leven al een fijne neus gehad voor de populariteit en dus verkoopbaarheid van onzinnige producten. Dat wil zeggen, hoe groter de rotzooi was die werd aangeboden, met des te meer zekerheid kon hij zeggen of iets het zou doen of niet, op de ongrijpbare markt van rage en modegril.

Als schooljongen al verbaasde hij zijn medescholieren door keer op keer als allereerste achteloos met de totaal onbekende dingen op het schoolplein te verschijnen die korte tijd later door iederéén meegesleept zouden worden, maar dan niet meer door hém. Aan dit feilloze trendgevoel ontleende hij een zekere populariteit, of misschien kon je beter zeggen autoriteit, want bepaald populair of aantrekkelijk gevonden werd hij niet. De dingen an sich die het helemaal maakten, interesseerden hem hoegenaamd voor geen cent, hun wezen liet hem koud, nee, het ging hem alleen om hun marktwaarde, hun populariteitsfunctie, hun commerciële werking op het publieke gemoed, om de psychologische impact op een tot dan toe onberoerd gebleven vibratie-fibril ergens in de grijze massa, waardoor in een raadselachtig proces de mens tot klant getransformeerd wordt. Dit verschijnsel boeide hem in hoge mate, al kon hij er ook na lang theoretiseren geen enkele andere verklaring voor vinden dan dat het nu eenmaal zo was, dat hij er door een speling van het lot een perfecte feeling voor had en dat hij dus voorgeprogrammeerd was om daar gebruik van te maken.

Het spreekt welhaast vanzelf dat je met zo’n eigenschap in de handel verzeild raakte, en zijn eerste schreden op dit pad zette hij in dienst van een reclamebureau, mede omdat hij hier ook nog zijdelings iets kon beginnen met de kennis van zijn grote en enige hobby: de fotografie.

In plaats van de toen in opkomst zijnde brommers, in 45-toerenplaatjes, of in boeken of kleren, zoals bij de andere scholieren der jaren vijftig het geval was, zette hij al zijn zakgeld en met vakantiebaantjes bijeengeschraapte loontjes om in artikelen die uitsluitend met fotografie te maken hadden. Al op jeugdige leeftijd beschikte hij over een vrijwel professionele doka en dito uitrusting compleet met wissellenzen, statieven en de nieuwste flitsapparatuur, waarmee hij al zijn vrije tijd vulde. Iedereen die hem kende verwachtte dat hij wel in de foto-business terecht zou komen, maar daarmee gaven ze er blijk van hoe slecht ze hem eigenlijk kenden. Fotografie was voor hem te heilig om er volledig zijn beroep van te maken. Wat dat betreft kon je hem gerust een idealist of een ethicus noemen. Voor zijn gevoel hoorde je in dienst te staan van de fotografie, de fotografie niet in dienst van jou of via jou in dienst van iets of iemand anders, zoals bij het beroep van fotograaf meestal het geval is, de schaarse echte kunstenaars onder hen daargelaten, maar commercie was in dit geval dus uit den boze. Dit gold allemaal uitsluitend voor hemzelf, wat anderen met fotografie deden moesten zij weten en liet hem koud. Fotografie als hulpmiddel bij reclame of god mag weten wat nog meer, net zoals de rol van film of tv daarbij, achtte hij perfect in orde, zolang híj het niet was die de ontheiliging veroorzaakte.

Bij het reclamebureau rees zijn ster snel, al had hij er nooit een duidelijk omlijnde functie: hij trad er altijd op als overkoepelend en werkwijze bepalend coördinator of zoiets. Louter op zijn gevoel afgaand kwam hij altijd met de beste ideeën, en áls er al iets een flop werd, dan was het altijd omdat men zijn raadgevingen in de wind had geslagen en koppig had geprobeerd ’s een keertje eigen ideeën door te drukken. Maar het stijgen van zijn invloed ging gepaard met een groeiende onaangenaamheid ten opzichte van zijn werkomgeving. Hij stelde aan iedere medewerker krankzinnig hoge eisen, waarbij vooral die arme doka-jongens het moesten ontgelden, zodat op den duur iedereen zijn bloed wel kon drinken, de initiatiefnemers-directeuren incluis. Maar toen was zijn positie allang onaantastbaar geworden doordat hij het altijd bij het rechte eind bleek te hebben. Wel besefte hij héél goed dat hij nooit ook maar één foutje mocht maken. Die maakte hij ook niet.

*

Nu zou de meest natuurlijke gang van zaken geweest zijn dat hij zélf een bureau geopend had. Zijn eigen bureau (één naam, één eigenaar) zou ongetwijfeld lopen als een trein en groeien als kool, want het zou barsten van de opdrachten, omdat hij heel wat opdrachtgevers van zijn oude werkgever zou hebben meegezogen. Hij zou dan zelf het personeelsbestand en het personeelsbeleid hebben kunnen bepalen, uitsluitend eersteklas vakmensen aantrekken, en eindigen als de grootste, de bekendste, de duurste ook, want het zou de absolute top zijn. Maar voor deze carrière, hoe voor de hand liggend ook (en misschien juist wel dáárom), voelde hij hoegenaamd niets. Om de waarheid te zeggen was hij allang, zelfs al vrij in het begin, op het hele reclamewereldje uitgekeken. Het verveelde hem, al verdiende hij aardig. Maar deze sector was voor hem toch te beperkt, te weinig uitdagend op den duur, te afhankelijk van andere takken van de commercie, als je het goed beschouwde. Bovendien vond hij al dat volk uit het reclamewereldje te oninteressant, te oppervlakkig artistiek, of wat daarvoor door moest gaan. Eigenlijk vond Harmen Grootzien de meeste mensen oninteressant, want hij kon zich mateloos ergeren aan hun onbenulligheid en hun tergende traagheid. Vooral hun traagheid was een doorn in zijn toornig oog, je moest ze alles altijd honderdduizend keer voorkauwen en dan brachten ze er nog geen reet van terecht. Je kon het net zo goed allemaal zelf doen, want dan ging het niet alleen een stuk sneller maar ook nog eens veel beter. Louter de fysieke onmogelijkheid daarvan verhinderde dát hij het allemaal zelf deed, zo hield hij zich voor, en dan dwaalden zijn gedachten altijd af naar het terrein waar zijn grootste interesse lag, maar waarbij hij tevens in een irritant dilemma verstrikt dreigde te raken: de efficiency.

Het begrip efficiency was bij hem een geliefkoosd begrip, doelmatig organiseren was een onvoorwaardelijke must, maar helaas was het gros van de mensen waar je mee moest werken niet geschikt voor zijn stokpaardje. Voor het goed functioneren van een organisatie, werk, bedrijf, kortom alles eigenlijk, waren per definitie allemaal Harmen Grootzienen nodig, maar er was er helaas altijd maar één, of hooguit anderhalf als je mazzel had. En daar moest je het dan mee doen. En daarmee verwijderde een schijnbaar voor het grijpen liggend doel zich zo ver van je vandaan dat het automatisch transformeerde tot een onbereikbaar ideaal. Deze gedachte alleen al maakte hem moedeloos, hij vond het een onduldbaar verschijnsel, een onvolmaaktheid der natuur.

Misschien was het daarom wel, dat hij zich in de weekeinden uren kon onderdompelen in het louterend bad van zijn hobby, waardoor hij er nog meer gefixeerd op raakte dan hij al was. Dáár gehoorzaamde immers alles aan strakke wetmatigheden, je kon er naar believen mee spelen. Bij zijn geliefde fotografie was het mogelijk om ieder ongewenst plooitje van de werkelijkheid glad te strijken. Sowieso ging zijn voorkeur uit naar strakke lijnen, strenge perspectieven, architectonische scheppingen die niets baroks hadden, naar gelijkvormige nieuwbouwwijken bijvoorbeeld waar mensen en groen eigenlijk alleen maar storende factoren waren, of naar gigantische zakenkwartieren als La Défense of de punt van Manhattan.

Maar eigenlijk ging de belangstelling van Harmen Grootzien slechts uit naar één ding: macht.

Niet alleen zomaar macht, als bedrijfsleider of chef of desnoods directeur, maar naar macht-an-sich, en alles wat daarmee samenhing. Wat hem boeide in deze wereld was het uitoefenen van macht over anderen, de onbegrijpelijkheid van het accepteren van de macht van de weinigen over de velen door die velen, de rol van het geld daarbij, de persoonlijkheidsstructuren die macht in zich droegen, de fascinatie die er van Grote Namen uitging. Koningen, keizers, dictators, imperium-magnaten, grote politici, presidenten, beroemde kunstenaars en wetenschappers, kortom allen die zich een blijvende plaats hadden weten te verwerven in de wereldencyclopedie van Big Shots, ziedaar de enige mensen voor wie hij werkelijk belangstelling koesterde. Evenals voor zakenlieden-collega’s natuurlijk, maar dan uitsluitend díe waarmee hij te maken kreeg en die boven hem stonden, en dan nog alléén zoláng ze boven hem stonden.

*

En dus stapte Harmen Grootzien door zijn ambities gedreven over van de reclamewereld naar het bedrijfsleven sec, dat wil zeggen naar de handelstak ervan, die goed beschouwd als opdrachtgever en broodheer van de reclameboys verre superieur geacht moest worden over hen. Zoals altijd al kon het hem geen moer schelen welk product er gemaakt werd, áls hij maar het gevoel had dat het verkoopbaar was. Hij selecteerde zorgvuldig die bedrijven waar hij wat in zag en waarvan hij voelde dat succes er voor hem gegarandeerd zou zijn. Nooit bleef hij lang bij één firma, te lang blijven zitten betekende onherroepelijk vastroesten en dus achteruitgang in zijn visie, maar hij bleef ook nooit te kort om de indruk te vestigen onbetrouwbaar te zijn. Hij had het allemaal precies berekend en het luisterde heel nauw, want je reputatie was nu eenmaal alles in deze kringen. Bij iedere overgang van het ene bedrijf naar het andere namen zijn gezag, zijn marktwaarde en dus zijn inkomen toe. Tegelijkertijd wist hij zijn nieuwe superieuren steeds het gevoel te geven een goede slag te hebben geslagen en tevens de concurrent een gevoelige klap te hebben toegebracht. Zijn populariteit steeg steeds verder bij zijn meerderen, evenals zijn impopulariteit bij zijn minderen. Om de zaak in evenwicht te houden kreeg hij gelukkig steeds minder meerderen en steeds meer minderen. Einddoel was om ten slotte alleen nog maar minderen te hebben, dan hoefde je je ten minste geen zorgen meer te maken dat er door jaloerse medemeerderen aan je stoelpoten werd gezaagd.

Het liefst trad hij in dienst bij Amerikaanse bedrijven. Die hadden de hardste manier van zaken doen en kwamen dus het meest overeen met zijn eigen stijl. Die legden de meeste nadruk op efficiency en waren ook het brutaalst zonder blikken of blozen puur op winst uit, zonder al dat gezwets over liefde voor het product dat aan de man gebracht moest worden of gezeur over de arbeidsomstandigheden van de lagere loonslaven die dat product ook daadwerkelijk fabriceerden.

Een tijdje had hij gespeeld met de gedachte het bankwezen als zijn werkterrein te kiezen, omdat daar (gemeten in geld en kredietmanipulaties) onnoemelijke macht geconcentreerd lag, maar uiteindelijk zag hij daar van af vanwege de sterke neiging tot geïnstitutionaliseerde hiërarchisering die er heerste en die naar zijn smaak leidde tot te langdurige loopbanen voordat je er aan de top zat.

De overwegingen met betrekking tot het bankwezen hadden hem op een gegeven moment herinnerd aan de enige mislukking in zijn bestaan tot dan toe, namelijk de militaire dienstplicht. Hij werd daar niet graag aan herinnerd, want hij beschouwde het als een onvergeeflijke jeugdzonde dat hij zich daar ooit mee ingelaten had. Weliswaar was de dienstplicht aan het einde van zijn schooljaren nog een onaantastbaar instituut, een onomstreden bastion van onbetwiste vaderlandsliefde en de daarmee gepaard gaande gehoorzaamheid aan het wereldlijk gezag, waaraan je je niet op straffe van het in de waagschaal stellen van je maatschappelijke carrière kon onttrekken, maar toch zou het schaamrood alsnog naar zijn kaken kunnen stijgen bij het besef dat hij toen nog niet in staat was geweest de reeds latent bij hem aanwezige ideeën over het militair-hiërarchische systeem te laten uitkristalliseren in zijn latere opvattingen, toen alles hem eindelijk duidelijk was geworden, en waardoor hij toen dus ook niet in staat was geweest daarnaar te handelen. Logisch gezien kon je dit jezelf niet kwalijk nemen, maar het bleef pijnlijk dat hij als onbedorven jongeling met open ogen in een grote vergissing was getuind. Als groentje had hem de militaire organisatie wel aangetrokken, omdat hij vaag het gevoel had gehad zo in de buurt van de bronnen van de macht te kunnen geraken, wat een nog onuitgesproken uitdaging had geleken. In het leger had hij al snel ontdekt (zonder dat met zoveel woorden te willen toegeven, toen nog niet tenminste), dat de ziel van het militaire niet gelegen was in ‘macht’ maar in ‘gehoorzaamheid’. De enige manier om hogerop te komen was, zo bleek al gauw, naar boven te likken en je op misselijke wijze te verslaafsen, met als enige compensatie dat je naar beneden mocht trappen, en dat dan tientallen jaren lang. De weg naar de top was een eeuwig durende martelgang, en dan nog slechts weggelegd voor de enkeling die het geduld van een engel op paradoxale wijze wist te paren aan de ziel van een duivel. En ja, echte duivels hebben geen geduld. Het grootste bezwaar tegen een legercarrière was wel dat er niets te manipuleren viel om de zaken eens even lekker te bespoedigen, integendeel, het ging hier slechts om organiek ambtelijke bevorderingsbraafheid. Daartegenover stond, zou je kunnen zeggen, het feit dat de macht die je over je ondergeschikten kon uitoefenen vele malen groter was dan in het burger- of zakenleven. Maar deze voor velen verlokkende bevredigingsmogelijkheid van hun machtswellust was voor Harmen Grootzien toch niet meer dan een schrale troostdruppel op zijn gloeiende ambitieplaat, een eerder vergalde dan vergulde bittere pil. Hij onderging zijn dienstplicht als een bittere teleurstelling die zijn hooggespannen verwachtingen in razend tempo verbleekte tot lauwheid en die enige tellen later al een reactie opwekte in tegenovergesteld richting. Hij viel ten prooi aan een mengeling van afkeer, onpasselijkheid, minachting en walging, wat al gauw leidde tot bestrijding en sabotage van dit uiterst domme volkje, dat bij het minste of geringste op zijn strepen ging staan, en dat hij inderdaad voor niets anders geschikt achtte dan daadwerkelijk als beroeps-kanonnenvoer te dienen. Wat had je namelijk aan macht zolang er nog anderen boven je stonden. Anderen, die boven je zouden blíjven staan tot ze eindelijk eindelijk met pensioen gingen, een pensioen dat maar op één manier te verhaasten viel, alleen wanneer de officier in kwestie de onvergeeflijke blunder zou begaan om strontlazerus te raken en dan in het openbaar, voor de TV of zo, overmoedig te verklaren dat de koningin een hoer was, zo ongeveer de enige halsmisdaad die niet met de mantel der vaderlandsliefde bedekt zou worden.

En dus doorliep Harmen Grootzien, die als verse rekruut (destijds ook wel oliebol of filler geheten) vanwege zijn HBS-diploma automatisch in het aspirant-officierenklasje was ingedeeld, de gehele voor dienstplichtigen weggelegde hiërarchie, maar dan in omgekeerde richting, zodat hij als kniezend soldaat met een zucht van verlichting het einde haalde. Daarbij was hij natuurlijk wel zo slim geweest zich overal te drukken en onderuit te draaien en te zorgen dat hij in een baantje bij de Welzijnszorg terecht kwam, waar hij met satanisch genoegen stapels plastic zelfbouwmodellen van Russische MIG’s aan beroepskorporaals der eerste klasse stond aan te smeren, trage vijftigers die vaak nog in Korea hadden gevochten en die je tot zijn verbazing zelfs uiterlijk nauwelijks van zwijnen kon onderscheiden, maar dat was misschien nog te véél eer, als hij zich de verrassend hoge scores van die beesten herinnerde bij dierenintelligentietests, de bestaande taaluitdrukkingen ten spijt.

*

In de loop der jaren had Harmen, zoals iedere betrouwbare hoeksteen van de samenleving betaamt, natuurlijk niet vergeten te trouwen met een representatieve vrouw en het bijbehorende obligate gezin te stichten, met uiteraard twee kinderen, waarover de geslachten braaf door de natuur verdeeld werden. Het gezin was belangrijk voor Harmen, belangrijker dan de samenstellende personen op zich, want het steunde hem zonder dat hij er iets voor hoefde te doen in zijn streven naar een hoge maatschappelijke positie, alleen al door hun bestaan en de toonbaarheid ervan aan de wereld. Met dit modelgezin kon hij heel goed voor de dag komen, maar veel tijd had hij vanzelfsprekend niet voor ze. Wat zijn vrouw en zijn kinderen dachten van zijn veelvuldige afwezigheid, zowel lichamelijk als geestelijk, zullen wij in het midden laten, maar gezegd moet worden dat zij zich steeds opgetogen betoonden bij de hun met ruime hand toebedeelde schenkingen, en ook dat na de onvermijdelijke scheiding van tafel en bed het bezoek aan de kinderen (eens per week) juridisch én in de praktijk (als hij er tijd voor had) uitstekend geregeld was.

*

De laatste wisseling van werkgever had Harmen dus uiteindelijk op zijn hoogste (en na later zou blijken laatste) positie gebracht. Uit de weinige kandidaten die voor een dergelijke functie in aanmerking kwamen was hij (uiteraard, hij had er geen moment aan getwijfeld) zegevierend tevoorschijn gekomen. En hij beschouwde het als een terechte bevestiging van zijn talent, een erkenning van zijn superioriteit, dat hij de positie van General Manager European Affairs (zo’n beetje het hoogste wat je als sterveling zonder gigantisch eigen – of familiekapitaal in het Amerikaanse zakenleven kon bereiken) nog vóór zijn veertigste had weten te veroveren. Hij constateerde dat hij nog minstens twintig jaar voor zich had om écht aan de top te komen en stinkend rijk te worden. Het onstuitbare elan waarmee hij vaart achter de gang van zaken zette in zijn nieuwe positie sleurde alles en iedereen onverbiddelijk met zich mee omhoog. Hij hield niet van halve maatregelen en was vastbesloten zijn positie, waarin hij voor het eerst min of meer helemaal zijn eigen gang kon gaan, uit te buiten voor een verbazingwekkende opmars. Als een razende spande hij een uitgebreid netwerk van nieuwe vestigingen over Europa, waarbij hij de big bosses

aan de andere kant van de oceaan bleef verbazen. Aanvankelijk werd zijn tomeloze energie en uitbreidingslust zelfs daar met de nodige argwaan bekeken, maar toen de razendsnel stijgende omzet- en winstcijfers kwamen binnendruppelen om zijn gelijk te bevestigen, gaven ook zij zich gewonnen en werd hem, althans wat Europa betreft, carte blanche verleend.

“Je moet het gróót zien”, riep hij te pas en te onpas uit bij directievergaderingen, copieuze lunches en spetterende bordeelbezoeken, maar de manier waarop hij uit de hoogte deze grap aan anderstaligen probeerde uit te leggen maakte hem er niet populairder op. Hij merkte wel degelijk dat sommigen hem een snoever vonden, maar hij achtte zijn onweerlegbare successen een voldoende legitimatie om prat te gaan op zijn prestaties, zeker tegenover de meeste collega’s, waarvan hij niet zo’n hoge pet op had.

*

In die tijd kon het gewoon niet op. Het geld was kogelrond en rolde ook nog eens over een gepolijst vlak. Een lichtelijk hellend vlak, naar later zou blijken, maar wie bekommerde zich daar toen om, in die permanente overwinningsroes. Er werd in de duurste auto’s gereden, in de weelderigste hotels verbleven, in een handvol over Europa verspreide penthouses geresideerd, tijdens exotische weekendtrips gerecreëerd, kortom in luxe gebaad, en gevreten, gezopen en genaaid dat het een lieve lust was. Er bleef geen stuiver over – geen punt, want het grote geld zou nog moeten komen. En als hardwerkende verantwoordelijke leider had je toch zeker het volste recht op een beetje leuke stress-compensatie.

Lees verder: Hoofdstuk 4 – Reddende engel